De helende kracht van boze dozen en vuurschalen

Er was eens een jongen van tien die zich altijd afzondert. ‘Het is een brave maar o zo stille jongen, je kan er nauwelijks contact mee maken’, zegt iedereen. Op een dag ontploft hij, zomaar. Hij slaat zijn vader, recht in het gezicht. De vader slaat terug.

Er was eens een zusje van vijf, die na de geboorte van haar broertje baldadig gedrag begint te vertonen en stoelgang over de meubels smeert. ‘Jullie zien broertje veel liever dan mij’, schreeuwt ze. De ouders zijn radeloos en overwegen bij een psycholoog of psychiater te gaan.

Er was eens een vijftienjarig tienermeisje die tegen haar papa zegt: ‘Papa, je bent er nooit voor mij als ik je nodig heb.’ De papa, die zich al jarenlang te pletter werkt voor dochterlief, krimpt ineen en scheldt haar uit voor ondankbaar wicht.

Psychotherapeute Lut Celie, experte in groeitrajecten voor kinderen en volwassenen, maar vooral een heel warm mens, spreekt uit ervaring. En reikt oplossingen aan. Met boze dozen, herinneringsdozen, verbindingsdoosjes, zorg- en praattakken, krachtmatjes en troostplekken. En ze gelooft in de drie B’s: bissen, benoemen en bevragen. Bissen: je herhaalt letterlijk wat je kind zegt. Benoemen: je benoemt zijn gevoelens. Bevragen: je stelt open vragen, vooral geen waarom- of gesloten vragen.

Lut probeert klein en groot te normaliseren in plaats van te diagnosticeren. Want achter al dat afwijkend gedrag schuilen gevoelens. Bijzonder veel gevoelens. Van onmacht, een gebrek aan aandacht of liefde in het slechtste geval. We zijn allemaal emotionele vaten. Die kunnen imploderen of exploderen. Wie opkropt, zal op een bepaald moment ontploffen, als het vat vol is. Iedereen heeft triggerplekken, die ervoor zorgen dat we vroeg of laat door het lint gaan.

De jongen van tien mag van Lut een boze doos maken. Hij tekent, schildert, schrijft erop. Hij benoemt zijn boosheid. Op een dag tekent hij zichzelf, met daarrond twee rode cirkels. Lut vraagt of hij daar iets wil bij vertellen. ‘Dat is een dubbele muur rondom mij. Ik durf mijn gevoelens niet te uiten.’ Papa heeft vroeger ook nooit geleerd zijn gevoelens te uiten. Ze raken er samen uit.

Het meisje van zeven is met mama en papa naar zee geweest. Zonder broertje. Jaloezie is vaak de angst om minder graag gezien te worden. Ze zoeken de mooiste schelp ter wereld en schrijven daarin: ‘We zien je graag, voor altijd.’ Want dat wil ze horen, nu. En ’s avonds, net voor bedtijd, krijgt ze extra knuffels. Want dat wil ze voelen, nu. In de tuin hebben ze een boos- en een troostplek gemaakt. Kinderen houden van plekjes, om even in te blijven.

De hardwerkende papa en het vijftienjarig tienermeisje zijn ondertussen ook samen aan de slag. Ze zijn allebei teruggekeerd naar het punt waarop het fout liep en ze uit elkaar begonnen te groeien. Stilaan groeien ze weer naar elkaar toe. En wekelijks verbranden ze samen hun boze gedachten en gevoelens, in een vuurschaal. Ik geloof, meer dan ooit, in de helende kracht van rituelen.

Opgeslagen onder HOME, KEGELKES | Reageer

Er schuilt een Plato in uw kind

December 2011: onze overbuur, boer Paul, is dood. Zijn hart ging plots in surplace. Onze kinderen waren er kind aan huis.
September 2013: opa is dood, die vrolijke man die hen altijd in de lucht gooide.
Net voor de nacht het overneemt van de dag komen de onvermijdelijke ‘waarom-vragen.’

Dochter: ‘Papa, ik wil niet gestorven worden.’
Papa: ‘Jij gaat nog heel lang leven hoor.’
Dochter: ‘Maar jij gaat voor mij sterven, en dat wil ik niet.’
Papa: ‘Weet je wat? Als ik er niet meer ben, moet je denken aan wat we allemaal samen deden, en dan heb je papa altijd bij jou.’
Dochter: ‘Volgens mij maken de mensen die dood zijn, tekeningen in de wolken. Zo praten ze met ons.’

Vanaf 6 jaar geraken kinderen geïnteresseerd in abstracte grotemensenthema’s als dood, verdriet, geluk, haat… Je kan de dood  niet meer wegstoppen voor een zesjarige. Ze zien de harde beelden op televisie, horen de wrede verhalen, zoals de terreur van vorige week. Hun fantasie voedt het denken. Maar als onze kinderen zich doordenkertjes laten ontvallen à la ‘Waar ben je na je dood’ of ‘Waarom doden mensen andere mensen?’, dan zeggen we vaak: ‘Je bent daar nog te jong voor’.

De dood is een taboe, maar kinderen voelen dat zo niet aan. We zijn bang om dat kind verdriet aan te doen, maar wat berokkent het kind het meeste schade: de vraag waarom opa gestorven is negeren of ze proberen te beantwoorden? Als ouders voelen we ons meestal verplicht om onmiddellijk een antwoord te geven. Hoeft niet. Een kind stelt geen vraag als het er zelf nog niet over nagedacht heeft. Kaats de bal terug: ‘Ik weet het niet. Wat denk je zelf?’, en je bent vertrokken. Het is fantastisch om als kind te beseffen dat papa’s en mama’s niet alles weten.

Kinderen die regelmatig filosoferen leren creatief denken, worden taalvaardiger, vergroten hun zelfvertrouwen en geluk. Als je zelfstandig leert nadenken, en de waarde leert inzien van je eigen ideeën, stijgt je zelfvertrouwen. Filosoferen staat ook haaks op onze discussiecultuur in politieke debatten, waarbij ieder zijn mening met hand en tand verdedigt en nooit afwijkt van zijn standpunt. Filosoferende kinderen durven gemakkelijk hun mening herzien als blijkt dat de ander een beter argument heeft. Hoe meer ze filosoferen, hoe minder schroom ze hebben om te zeggen ‘ik ben het niet met je eens omdat…’. Daar kunnen onze politici nog iets van opsteken.

Waarom zouden we filosoferen niet introduceren als vak op de basis- en secundaire school? We worden volgepropt met kennis, maar er is niemand die ons leert nadenken waarom we bijvoorbeeld wiskunde of talen moeten leren. Geef hen de kans om na te denken waarom ze tijd moeten investeren in het absorberen van die kennis, en hun motivatie zal stijgen.

De vragen om over te filosoferen met kinderen zijn onuitputtelijk: Zijn uw vrienden soms ook uw vijanden? Bestaan er ook lieve monsters? Kunnen bloemen gelukkig zijn? De meeste kinderen houden van filosoferen. Alleen hebben wij, ouders en leerkrachten, het vaak niet door. Of we hebben het te druk. Of we durven simpelweg de confrontatie niet aan.
Filosoferende kinderen staan later zelfstandiger, kritischer en toleranter in het leven.
Onze maatschappij heeft, meer dan ooit, nood aan kleine filosofen.

Opgeslagen onder HOME, KEGELKES | Reageer

Afscheid van een koninklijk café

Alles vergruizelt, ooit. Gisteren, 28 december 2014, verdween de Koninklijke Harmonie van de radar in mijn geboortedorp. Een café met duivenlokaal en fuifzaal. In de volksmond ook gekend als De Luchtklievers of gewoon ‘bij Vogelaere’. Als tienjarige verwonderde ik me er over de duiven die van Kalken naar Barcelona vlogen en terug. Als zestienjarige dronk ik in het café mijn eerste pinten, na een gewonnen voetbalwedstrijd bij H.O. Kalken. Als negentienjarige botste ik in de fuifzaal pardoes op een mooie jongedame die veel later mijn vrouw werd, al had ik daar toen nog geen flauw benul van. Opeens was het veel te warm in de al broeierige fuifzaal van de Koninklijke Harmonie.

Het was een café met geschiedenis en piscines met een reukje. Een café waar voetbaloverwinningen en nederlagen gevierd werden. Een café waar jarenlang op zaterdag- en zondagavond een dansje werd geplaceerd op de tonen van Will Tura en André Hazes. Heupwiegend rond het biljart. Waar kaarters, biljarters en pronostikeerders zich thuisvoelden. Waar de tijd elk jaar een beetje meer stil stond.

Gisteren was de allerlaatste dag dat Anne-Marie en Patrick het café openhielden. Daarom voelde ik het als mijn morele plicht om nog eens dag te zeggen. En een pint te drinken, of twee, met mijn schone broer. Maar voor ik het goed en wel besefte, stonden de pinten in het gelid. Ze vermenigvuldigden zich als brood en wijn. Zeker nadat mijn schone broer het koperen klokje in het oog kreeg, links boven de toog, met het opschrift Vocem meam a ovime tangit. Potjeslatijn, vrij vertaald: ‘wie me aanraakt, zal mijn stem horen.’

En zo geschiedde. Opeens voelde heel het café zich geroepen om ons terug te trakteren. In een goeie café gebeurt trakteren stilzwijgend en vanzelf, als een ultieme blijk van ‘jij bent een van ons’, deze avond. De sfeer zat er goed in, we waren verder van huis dan ooit tevoren.

De muziek ging allengs wat luider en een ietwat bronstige cowboy danste met een lokale deerne op leeftijd en met pantermotief. Plots, alsof het zo moest zijn, donderde een van de vier geluidsboxen naar beneden. Een tragisch ongeluk werd op het nippertje vermeden – stel u voor dat er op de allerlaatste dag alsnog slachtoffers vielen – en een tooghanger met zin voor filosofische cafépraat zei de gevleugelde woorden: ‘Ik denk dat de boxen moe zijn.’

Zo is ook het liedje van de Koninklijke Harmonie uitgezongen. Alweer een café minder in het dorp. Wij trokken huiswaarts met enkele dozen bierglazen en het klokje als afscheidscadeau. En ook al wachtte ons thuis misschien een fikse uitbrander, we schreven mee geschiedenis. Of toch een heel klein stukje.

 

Opgeslagen onder HOME, KEGELKES | Reageer