Een uppercut voor het Sportgala

Tegen het canvas. Uppercut. Hét beeld van de avond op het Sportgala was niet het zegegebaar van goalie Thibaut Courtois, maar het gezicht van Delfine Persoon, toen ze net naast de bekroning van ‘Sportvrouw van het jaar’ greep. De ogen dof, de blik op oneindig, alsof ze net haar allerlaatste kamp had verloren.

Dit moest de bekroning van haar carrière worden. Veelvuldig wereldkampioene, ook dit jaar nog. Voor één keer had ze haar trainingsbroek ingewisseld voor een mooi kleedje. Het haar was opgestoken, een juweel sierde haar hals. Delfine had er zelfs een WBC-boksconventie in Las Vegas voor laten schieten met 50.000 uitzinnige boksliefhebbers.

Boksen: you love it or you hate it. Er is geen middenweg. Mijn liefde voor de bokssport groeide toen mijn grootvader met de punch van een bokser vertelde hoe hij op 23 mei 1948 Cyriel Delannoit, alias Tarzan, zag winnen van Bombardier Marcel Cerdan. Tarzan kwam uit Geraardsbergen, groeide op in een arbeidersgezin in Geraardsbergen, en mepte zich een weg uit de armoede en vergetelheid. Hij versloeg op de Heizel de onklopbaar gewaande Cerdan, het hele land ging uit de bol. In de greep van malafide managers was deze volksbokser op zijn 25ste al uitgeteld.

De persoonlijke levenswandel van Delfine Persoon ken ik niet, maar ze is evenzeer van het volk. Er is niets vip aan haar. Ze gruwt van de chic van sportgala’s, baljurken en schijnvertoningen. Overdag werkt ze bij de spoorwegpolitie, in de vroege en late uren traint ze als een gek. Joggen, touwtje springen, meppen met de sparringpartner. Zonder jacuzzi’s en PlayStation.

In de VS was ze al lang een nationale boksheldin geweest, in België is ze een boksende amateur. De locatie van het Sportgala was strategisch goed gekozen. In het Plopsaland-theater, heimat van Gert en Samson. Het was dan ook een kinderlijke vertoning. Ik daag de beroepsbond voor sportjournalisten uit om één dag in de voetsporen van Delfine te treden.

De beste boksers zijn dansers in de ring, meesters in schijnbewegingen. Ze  halen enkel uit op het juiste moment. En ze incasseren als het moet. Delfine, incasseer deze nederlaag met fierheid. Voor mij heb je gewonnen, op punten. Of neen, via knock-out.

Opgeslagen onder HOME, KEGELKES | Reageer

Ecce Homo Elektricus

Ecce Homo. Deze woorden zou de Romeinse landvoogd Pontius Pilatus gezegd hebben toen hij Jezus toonde aan het joodse volk na de geseling met de doornenkroon. Ecce Homo is ook de titel van een werk van de filosoof Friedrich Nietzsche. Die zou ongetwijfeld ook een mening hebben geventileerd over een nieuw soort homo: de Homo Elektricus, waarmee ik doel op de ‘met een elektrische fiets rijdende medemens’.

Als fervent fietser zonder elektrische hulpstukken heb ik me lange tijd in stilzwijgen gehuld, maar nu moet het eruit: ik hou niet van de elektrische fiets(er). U hoeft het daar volstrekt niet mee eens te zijn, want de elektrische fiets(er) heeft meer dan ooit de wind in de zeilen, al heeft hij de hulp van de wind niet meer nodig. Jong en oud kopen de vehikels, ze besparen op zweet en energie, ze zijn gebruiksvriendelijk, je kan langere afstanden afhaspelen in minder tijd, ze zijn ideaal voor de fietsforenzen die niet als een stinkend rund op het werk willen verschijnen, senioren met een bescheiden conditie worden weer mobiel,…

Naar het schijnt zouden elektrische fietsers ook potentiële brokkenpiloten zijn. Iemand die vroeger 20/uur reed en nu plots 35/uur moet veel sneller anticiperen op de andere, veelal tragere weggebruikers. Enige behendigheid is geen overbodige luxe om een uitslaand portier of een argeloze voetganger nog net te vermijden. Maar dat geheel terzijde. Het is de romantische fietser in mij die revolteert tegen de elektrische fietser. Onlangs zat ik in het wiel van zo’n elektrische fietser; het leek wel een derny-onderonsje, net als op de piste tijdens de Gentse Zesdaagse. Hij draaide aan zijn ventiel en speelde kat en muis met mij. Ik kon de ‘brommer’ niet volgen, mijn kuiten verzuurden, ik zweette me kapot terwijl hij al fluitend in de boter trapte. Maar dat is nu net waar fietsen om gaat: fietsen is ook en vooral afzien, het is een strijd met en tegen de natuurelementen, Aeolus op kop. Het is een manier om lichaam en geest beter te leren inschatten. En, samen met het jus uit de benen, verdwijnen ook de dagelijkse zorgen. Geloof me nu maar.

Ecce Homo Elektricus, fluister ik misprijzend als er alweer een elektrische bolide voorbij mijn deur zoeft. Ze hebben ongelooflijke haast, die elektrische fietsers. Stilletjes hoop ik dat zijn motortje het begeeft – acute stroompanne!-  en hij weer, al is het maar voor even, aangewezen is op eigen kuitkracht.

Opgeslagen onder HOME, KEGELKES | Reageer

Enkel een gekwetste ziel kun je niet repareren

De fixers van iFixit herstellen alles wat kapot gaat – van smartphones over koelkasten tot microgolfovens – schrijven verstaanbare handleidingen en gooien die op het internet, zodat iedereen ze kan delen. Leve de deeleconomie, leve de hersteleconomie! In Repair Cafés kun je zowat alles laten herstellen, of zelf de handen uit de mouwen steken. En dankzij het web kan iedereen van elkaar leren. Alles komt terug, want mijn grootvader (91) – geboren in een tijd waarin de auto’s nog maar net spraken en hij voor het eerst naar dat ‘wonderlijk machientje met antenne’  luisterde met tien buren – deed net hetzelfde. Alleen herstelde hij niet, hij repareerde.

Voor, tijdens en kort na de laatste wereldoorlog werd alles gerepareerd en gebricoleerd. Zijn voetbalschoenen werden tot zeven keer opgelapt, voor hij ze definitief aan de haak hing. Meubels moesten een mensenleven meegaan. Kousen werden tot in den treure opgelapt. Er waren nog geen Chinezen die wegwerpschoenen maakten aan de lopende band. Er waren geen containerparken. En vooral, er was schaarste. Schaarste is een vruchtbare voedingsbodem voor de hersteleconomie.

Toen ik een jaar of zeven was, repareerde hij de lekke band van mijn fiets volgens een ritueel dat ik nooit meer vergeet. Eerst ‘verdronk’ hij de binnenband in een emmer met water tot er blaasjes naar boven cirkelden. Nadien markeerde hij het gaatje met krijt. Eenmaal drooggewreven plakte hij er een rond stickertje met een gekartelde rand in oranje op, dat hij aanduwde. Na verloop van tijd leek de band op een overjaarse Python, maar de fiets bleef rijden.

Ik was toen vol bewondering, dat ben ik nog steeds voor mensen die in het neonlicht van hun garage van alles repareren. Zoals die schrijnwerker op rust uit ons dorp die met afgedankte fruitkisten en vijftig jaar stielkennis een boekenkast in elkaar timmerde waar IKEA een puntje kan aan zuigen. Hij de meester met engelengeduld, ik zijn helper met twee eeuwige linkerhanden.

“Kun jij echt alles repareren?’, vroeg ik grootvader toen als uk. Hij liet een lange stilte vallen. Dan wist ik dat de woorden aan gewicht wonnen. “Neen, zei hij. “Een gekwetste ziel kan je met geen enkel gereedschap repareren. En een gebroken hart kun je niet lijmen.” Mijn ziel was nog ongeschonden, er stonden zelfs geen krassen op. Ik had nog geen mokerslagen geïncasseerd, er zelf nog geen uitgedeeld. Ik begreep niet wat hij bedoelde, maar besefte dat ik die zin hardnekkig moest onthouden. Voor later, als ik hem ooit zou begrijpen.

Opgeslagen onder Geen categorie | Reageer