Zoeken

Bijgewerkt: jun 27

Newton bedacht de wet van de zwaartekracht toen hij in het gras lag en er een appel pardoes op zijn hoofd viel. Ren niet, maar wees zen, en dan staan er bijzondere ontdekkingen te gebeuren.

Net voor ik, als virusleek, voor het eerst van corona hoorde, trad mijn brein dagelijks uit zijn oevers, volgestouwd als het was met korte- en langetermijnplannen, hijgende dead- lines, onvervulde verlangens en dwingende to-do-lijstjes. Kort na de uitbraak van de coronacrisis, medio maart, werd mijn hoofd vederlicht. Net als Newton kwam ik, voor het eerst sinds lang, in rustmodus. Het schrappen van alle feestjes, meetings, hobby’s van de kinderen, enzovoort, had een louterend effect. De maand maart in m’n online agenda transformeerde in een sneeuwtapijt, maagdelijk blank. Even niet meer ‘te moeten maar te mogen’ gaf een bevrijdend gevoel. De lockdown werkte niet enkel als een pauzeknop, maar ook als een control-alt-delete knop. Resetten, stilstaan bij wat je allemaal hebt en daar dankbaar voor zijn. In het diepe besef dat vele anderen – zorg- en verpleegkundigen, artsen, kassabedienden, vuilnismannen,… - meer dan een extra tand moesten bijsteken en/of ’s nachts de slaap lieten omdat ze inkomensverlies leden door corona.


“Ik pleit voor meer lokaal produceren en consumeren. Als dat impliceert dat we een stukje moeten inboeten aan collectieve welvaart, dan is dat maar zo”


Het eigen huis werd een cocon waarin we onszelf terugplooiden, een veilige oase. Overdag interviewde ik mensen van thuis uit, via video. Best aangenaam om me niet meer door de files te hoeven worstelen. Ik had het gevoel productiever, efficiënter en meer geconcentreerd te kunnen werken dan op kantoor. Ook hier weer, in het diepe besef dat anderen het zoveel moeilijker hadden, opgesloten in een klein appartement, zonder tuin, zonder laptop, zonder ademruimte.

VERBINDING IN AFZONDERING Als gezin gingen we op zoek naar een nieuw evenwicht, met vallen en opstaan. Met en zonder rigoureuze schema’s en in de wetenschap dat het best uitzonderlijk was om samen zoveel tijd door te brengen. De veerkracht van de kinderen was opmerkelijk: ze hielpen – soms met gezonde tegenzin – mee in het huishouden, maakten zelfstandig huiswerk, deden gezelschapspelletjes. ‘s Avonds vond een nieuw gezinsritueel plaats: samen wandelen in de velden rondom ons. Of beter: flaneren: vrij, ongehaast, zonder vooraf bepaalde route. Op zoek naar paradijselijke plekjes om de hoek. Het is een goede manier om je gedachten te ordenen, maar evengoed om te broeden op nieuwe Grote Plannen. Wie zielenrust wil, moet gaan wandelen, schreef Seneca al. We waren niet alleen; overal zag je troepjes familie, op verkenning in de natuur. De beperking van de keuzevrijheid – wat moesten we anders doen? - zorgde voor, jawel, vrijheid. Om vrij te kunnen zijn, heb je grenzen nodig. Wat me ook meteen opviel: mensen zeiden sneller een goeiendag tegen elkaar of begonnen een praatje. Verbinding in afzondering. Ondertussen inhaleerden we schonere lucht. Tijdens de coronaluwte op de weg hing er beduidend minder stikstofdioxide en roet in de lucht.



“Onzekerheden houden ons scherp. Wie zich nu niet een beetje heruitvindt, zal dat waarschijnlijk nooit meer doen”


SCHAARSTE CREËERT TRAAGHEID

Ik (her)ontdekte ook de liefde voor de moestuin. De kalende kop van wijlen mijn grootvader Tsjef doemde op, waarop aders zich als kronkelende rivieren vertakken, terwijl hij onkruid wiedde tussen zijn prinsessenbonen en radijzen. Steeds in kniezit op een kussentje om de eroderende gewrichten wat te sparen. ‘Je moet elke dag een beetje schoffelen in je moestuin, dan overwoekert de boel niet’, hoorde ik hem zeggen. Sinds corona schoffel ik dus terwijl ik de groei van m’n gewassen inspecteer. Elke aardbei die wordt geoogst, wordt met liefde en met de nodige traagheid opgegeten. Schaarste creëert traagheid. De planten die doperwten voortbrengen, dansen sierlijk de tango rond de rijsstokjes van bamboe. Ik lees me in over zaaien, uitdunnen, water geven, slakken weren, oogsten. En tuur vaker dan vroeger naar de hemel om de regengoden gunstig te stemmen. Ondertussen lees ik in de krant dat mensen in deze tijden meer kiezen voor bewuste en eerlijke, biologische producten. Gaan we in het post-coronatijdperk anders eten, werken, winkelen, sporten, ons

verplaatsen? Gaan we meer thuiswerken en allemaal de fiets op of bumperen we snel weer gefrustreerd op overbevolkte wegen? Gaan we veel meer lokaal kopen of nog meer online shoppen? Nemen we vaker afscheid van de ‘luiheid op vier wielen’ of stappen we weer automatisch in de auto om 1 km verder naar de bakker te rijden? Gaan we minder ongegeneerd rondvliegen in Europa aan spotgoedkope tarieven of laten we ons weer snel verleiden om snel-snel een citytripje per vliegtuig te doen? Met andere woorden: gaan we écht anders leven? Dat is de hamvraag. Zullen ons gedrag en onze levenswijze fundamenteel veranderen of vervallen we weer in onze oude – lees: vaak slechte – gewoontes? Laten we ons niet te veel verstoppen achter beleid en wetten. Er bestaat ook nog zoiets als individuele verantwoordelijkheid en dito keuzevrijheid. We moeten gedurfde beslissingen durven nemen die al dan niet tegen de stroom ingaan. Je beslist zelf of die dagelijkse wandeling vanaf nu een blijver is. Je beslist zelf of je minder gaat vliegen. Je beslist zelf of je gezonder wil eten. Je beslist zelf of je lokaal (vaak iets duurder) koopt of via buitenlandse e-winkels (vaak iets goedkoper). Vul zelf maar aan.



NIEUWE ESSENTIELE INZICHTEN

Ergens halfweg de coronacrisis postte ik op Facebook een lijstje met tien prioriteiten waarvan ik hoop dat ze na de coronacrisis ingevoerd worden/en of eeuwig mogen blijven duren. Zaken die voor mij ‘essentieel’ zijn – ook dat woord heeft een nieuwe lading gekregen tijdens deze crisis. Het ging me niet om het Grote Gelijk. Neen, laten we het vooral oneens zijn met elkaar, op een beschaafde manier. Je leert niets bij als je je enkel omringt met mensen die precies hetzelfde denken als jij. Laten we niet polariseren maar elkaar inspireren. Zonder geloof in de waarachtigheid of oprechtheid van andere mensen, is communicatie onmogelijk, zegt filosofe Alicja Gescinska. In crisissen zoals deze lijkt de nuance te verdampen in elk debat en verzanden we te snel in ‘mijn waarheid is beter dan jouw waarheid’. In crisissen zoals deze komt elkeen hopelijk ook tot nieuwe, ‘essentiële’ inzichten. Zo ben ik er meer dan ooit van overtuigd dat we dichter bij de natuur moeten leven, als individu, als maatschappij, als ondernemer. ‘Onze hoogmoed keert zich tegen ons’, schreef bioloog en Knack-journalist Dirk Draulans profetisch begin maart, nog voor er van een pandemie sprake was. Virussen, zoals het virus dat Covid-19 veroorzaakt, profiteren van de buitensporige menselijke expansiedrang. We dringen overal het leefgebied van andere diersoorten binnen. We consumeren dieren uit het wild à volonté, we leggen regenwouden plat. Een ongewenst neveneffect, zo zegt Draulans, is dat virussen uit dieren de sprong naar mensen kunnen maken. Die te hoge eigendunk, over onszelf en over onze planeet, keert zich tegen ons, want de energie van Moeder Aarde raakt op. Haar veerkracht evenzeer. Ze geeft ons signalen in overvloed, maar in het land van blinden is eenoog koning.



TRAGER GROEIEN GAAT OOK

We leven en werken al decennia in functie van ongebreidelde groei en steeds méér consumeren. Maar er bestaat ook zoiets als degrowth, ontgroeien, waarbij economie niet meer exclusief ten dienste staat van de allesoverheersende Groei. Er zijn zoveel kansen, richting duurzame energietransitie, richting korteketen en richting revolutionaire circulaire businessmodellen, waarbij ‘afval’ eindeloos transformeert tot nieuwe grondstoffen voor nieuwe producten. Economie die ook het klimaat dient. Het virus legt de vinger op een zere plek: onze grote economische afhankelijkheid van verre landen. Een economie zonder export is onmogelijk – dat besef ik ook wel – maar mag het iets duurzamer a.u.b? Het is absurd dat we smartphone-hoesjes bestellen via de Alibaba’s van deze wereld en die per koerier thuis laten bezorgen, het is absurd dat we hier snijbloemen kopen (en laten verwelken) die in Kenia geoogst zijn, het is absurd dat we hier biefstukken eten die in Zuid-Amerika op mega-industriële schaal gekweekt worden, zonder respect voor de natuur. Dus ja, ik pleit voor meer lokaal produceren en consumeren. Als dat impliceert dat producten opnieuw wat duurder worden en we een stukje moeten inboeten aan collectieve welvaart, dan is dat maar zo. Of evolueren we liever naar een 21 ste -eeuwse versie van de tien plagen van Egypte? Dus opnieuw: gaan we (een beetje) anders leven? Ik mag het hopen. Angst is daarbij de slechtste raadgever, zeker in dit kleine, welvarende landje van ons. Een beetje historisch besef is op zijn plaats. Het risico dat je nu in België verhongert of een kind verliest, is historisch laag. We krijgen de beste zorgen, met dank aan onze, vooralsnog, schitterende sociale zekerheid en gezondheidszorg. Wie werkloos wordt, is geen vogel voor de kat. Al zal de prijs van deze lockdown zeker hoog zijn, en niet enkel op economisch vlak. Meer kindermisbruik, meer alcoholisme, meer huiselijk geweld, stijgende armoede bij de meest kwetsbare burgers, ook dat is corona. Leven we nu in meer onzekere tijden? Het is maar hoe je het bekijkt en/of met wie je vergelijkt. Onzekerheden houden ons scherp. Leven met het vooruitzicht van nulrisico lijkt me doodsaai. En wie zich nu, in coronatijd, niet een beetje heruitvindt, zal dat waarschijnlijk nooit meer doen. Artsen, zorg- en verpleegkundigen, kinesisten, tandartsen, freelancers, kmo-ondernemers, leraars, studenten: we moeten allemaal op een andere manier leren werken, studeren, leven.


“Geef onze hoogbejaarden tenminste zelf een stem, in plaats van over hun hoofden te praten of ze enkel op te voeren als achtergronddecor”


OUD IS NIET OUT

Eén leeftijdsgroep kwam nauwelijks aan het woord de voorbije maanden: de tachtig-plussers. Ze gingen wel vaak over de tong, de ‘kwetsbare oudjes’. Let er maar op, hoe vaak we in verkleinwoordjes over én met hen spreken. Daar kon mijn grootvader zaliger zich enorm aan storen, als hij weer eens betutteld werd. Sommigen vroegen zich af of de hele maatschappij op slot moest om het leven van voornamelijk hoogbejaarden nog een beetje te verlengen. Een leven nodeloos rekken heeft – wat mij betreft – nooit zin, maar geef die hoogbejaarden tenminste zelf een stem, in plaats van over hun hoofden te praten of ze enkel op te voeren als achtergronddecor. De vitale zestigers van nu zullen veel kritischer zijn als ze later in een woon-zorgcentrum belanden, op alle vlakken. Het recente pleidooi van oud-politica Mieke Vogels in de Afspraak voor kleinschalige wijk-gebonden zorghuizen in plaats van nog meer mastodonten van commerciële rusthuizen, verdient daarom meer dan hoongelach. Wat vroeger een rusthuis was, wordt steeds meer een ‘sterfhuis’ – dat was ook al zo voor corona uitbrak. Ieder jaar overlijdt ongeveer een derde van de bewoners. Het personeel heeft nauwelijks tijd om te investeren in individuele aandacht, want de zorglast is zwaar voor de hulpbehoevende bewoners. Zorg- en verpleegkundigen leveren fantastisch werk – daar ligt het niet aan – maar de ouderenzorg heeft een grijze revolutie nodig. Ouderen die samen ‘op kot’ gaan, senioren die kiezen om een samen-huisproject op te zetten, kleine zorghuizen: het kan echt anders, en het hoeft niet altijd duurder te zijn. In sommige zorghuizen wonen dementerende ouderen niet in een voorziening met lange gangen en vergrendelde deuren maar in een huis met een tuin en huisdieren. Trouwens, wie zal er later voor al die ouderen zorgen? Ouderenzorg is, zacht uitgedrukt, geen sexy beroep, en schromelijk ondergewaardeerd. Als we het niet opwaarderen en beter verlonen, zullen we in de nabije toekomst vele handen te kort komen. Jongeren die stagelopen, ontdekken hopelijk dat ouderen verzorgen zoveel meer is dan luiers verversen en eten geven. Empathie maakt het verschil, veel meer dan medicatie of technische prestaties. En ja, we kunnen nog veel leren van die tachtigplussers: levenswijsheid, bijvoorbeeld. En ja, ze hebben, net als elk wezen van vlees en bloed, huidhonger, ook in hun allerlaatste rit. Drie getuigenissen op de VRT-site, over mensen die moesten afscheid nemen van hun dierbaren in coronatijd, laten geen mens onberoerd. ‘Ja, ik beken, ik heb haar voeten aangeraakt’, zegt een dochter over haar hoogbejaarde moeder, net voor ze stierf. ‘Ik wou in de kamer blijven, want anders verloor ik mijn wortels.’ Of een moeder die afscheid nam van haar zoon, 21 jaar en kanker. ‘Ik knuffelde hem langs achteren, ik moest hem voelen’ zegt ze half lachend, half wenend. Anderen stierven helemaal alleen, zonder familie of vrienden, in een kille ziekenhuiskamer. Dan denk ik opnieuw aan mijn grootvader, die één jaar voor deze pandemie uitbrak, stierf. God hebbe zijn ziel, dat hij dit niet meer moest meemaken. En besef ik vooral hoe troostend het tot op vandaag is dat we er toen bij waren en zachtjes in zijn hand konden knijpen, net voor hij stierf.



“Huidhonger is voor mij nu al hét woord van 2021. De behoefte aan fysiek contact, niet zozeer in seksuele zin, maar de intense en de alledaagse aanraking”


LEVE HET KNUFFELHORMOON

Daarom is huidhonger voor mij nu al hét woord van 2021. De behoefte aan fysiek contact, niet zozeer in seksuele zin, maar de intense en de alledaagse aanraking. De kus van een vriendin, een knuffel met je ouders, iemand die je toevallig even aanraakt tijdens een gesprek. Ons stresshormoon daalt en ons knuffelhormoon krijgt een boost. In deze tijden staan aanrakingen jammer genoeg op rantsoen. Daar kijk ik enorm naar uit: het moment waarop we elkaar weer echt mogen aanraken. Ondertussen haal ik nog wat inspiratie bij de Stoa. Als er één filosofie is die in tijden van corona van pas komt, dan is het wel die van de stoïcijnen. Maak onderscheid tussen zaken waar je geen controle op hebt en zaken waar je wel controle op hebt, zegt de stoïcijn. Er zijn zoveel zaken waar we nauwelijks invloed op hebben, zoals deze verfoeide coronacrisis. Die kunnen we niet zomaar wegtoveren, evenmin als agressieve chauffeurs, ellendige files, wereldvreemde politici of schreeuwerige burgers. Onze grondhouding tegenover ‘tegenspoed’, daar hebben we wel zelf controle over, net als over onze eigen plannen en goede voornemens. Mijn grootste voornemen in post-coronatijd: beter leren luisteren naar de ander. Echt luisteren. Al te vaak zit ik nog ongeduldig te wachten tot het mijn beurt is om weer iets te zeggen, en dat staat echt luisteren in de weg. Of ik denk het antwoord zelf al te weten, nog arroganter. Volgens Kate Murphy, die het boek Je luistert niet schreef, zijn we met ons allen de kunst om te luisteren aan het verliezen. Onze aandacht wordt voortdurend opgeëist door schermen, onze aandachtsboog wordt steeds korter. Maar als je alleen maar zelf praat, leer je nooit iets bij en word je snel oudbakken, fileert Murphy genadeloos de grootste roepers onder ons. Wie echter goed luistert, meevoelt met de ander en openhartige vragen stelt, ontdekt zoveel nieuwe verhalen.


Dus zwijg ik nu en luister ik met gespitste oren naar al wie iets te vertellen heeft.

Bijgewerkt: apr 7

Van nieuwe trends bij conscious consumers tot maatschappelijke uitdagingen rond ons klimaat en onze gezondheid: ze pushen onze voedingsproducenten en ingrediëntenleveranciers om vandaag te investeren in de voeding van morgen. Die is duurzaam, deels plantaardig, transparant, gezond én lekker.

Een voorsmaakje.




Ooit aten we dieren, dat is de prikkelende en controversiële titel van het nieuwste boek van Roanne van Voorst, de Nederlandse antropologe (35) die vegetariër werd op haar zestiende en veganiste op haar 33ste. Ze beschrijft de maatschappij na de ‘eiwittransitie’. Het ‘carnistische’ model heeft de baan geruimd voor het veganistische.


“We leveren nieuwe ingrediënten voor voedingsproducten die beantwoorden aan de huidige trends van gezonde en evenwichtige voeding”

Geert Feys, Ingrizo

Diereneters zijn planteneters geworden. Ze doet boude voorspellingen, zoals: “In 2035 is tachtig procent van het aanbod in de supermarkt plantaardig.”

Ondergetekende was drie jaar geleden nog een carnivoor die zweerde bij zijn dagelijks stukje vlees, maar is nu een flexitariër die bewust één of meer dagen per week geen vlees eet en evenzeer geniet van een erwtenburger of pompoensalade. Omdat ik veel meer dan vroeger kritischer nadenk over dier- en milieuvriendelijkheid, maar ook omdat ik me zo fitter in mijn vel voel. Was vegetarisme in de jaren negentig nog iets voor de geitenwollensokkenhippies, dan is in 2018 volgens EVA (Ethisch Vegetarisch Alternatief) 7% van de Belgen vegetariër, 1% is veganist, 16% eet regelmatig vegetarisch en 44% eet minder vlees dan de jaren voorheen.


EIWITREVOLUTIE


De eiwitrevolutie moet vandaag nog doorbreken, voor alle duidelijkheid. Maar the future is vegan, of toch deels. Er is een evolutie richting plantaardig en gezonder eten, ook al heeft vlees nog steeds zijn plaats in een evenwichtig voedingspatroon. De westerse consument wil in ieder geval meer transparantie: wat ligt er op mijn bord, wat is de nutritionele waarde, waar komt het vandaan én wat is de impact op het klimaat? Hij wil zijn voeding ook (opnieuw) vertrouwen. De dioxinecrisis, gekkekoeienziekte, of onlangs nog de listeria-bacterie, schudden ons wakker. Nadia Lapage, secretaris-generaal van Fevia Vlaanderen, bevestigt de trend dat een deel van de consumenten bewuster omgaat met voeding: “Onze voedingsbedrijven zijn niet blind. Ze kijken naar nieuwe trends in België én het buitenland, want gemiddeld 50% van de omzet wordt via export gerealiseerd. Enerzijds zien we consumenten die gezonder willen eten, dus minder verzadigde vetten, zouten, en suikers verorberen. Anderzijds zien we consumenten die gevoeliger worden voor circulair ondernemen, duurzame productie én verpakking van voeding.”


“Wat er niet goed uitziet en/of niet lekker is, zal niemand kopen. Dat blijft dé randvoorwaarde bij elke innovatie: het moet lekker zijn”

Nadia Lapage, Fevia Vlaanderen


In opdracht van het Vlaams Agentschap Innoveren & Ondernemen (VLAIO) publiceerde een studieteam van Technopolis en Blonk Consultants eind 2018 diepgaand onderzoek over de eiwittransitie. De studie schetst een objectief beeld van het potentieel voor Vlaanderen. Het streven naar een transitie van dierlijke naar plantaardige eiwitten in humane voeding komt voort uit drie maatschappelijke tendensen: dierenleed voorkomen, milieu-impact verlagen en gezonder eten. De laatste jaren kiezen consumenten in Europa en Noord-Amerika steeds vaker voor een alternatief voor vlees in hun menu. Hiermee stijgt ook de vraag naar alternatieve eiwitingrediënten, voor het produceren van bijvoorbeeld vleesvervangers. Daarnaast wordt er volop onderzoek gedaan naar alternatieven voor vlees, zoals kweekvlees.

Voedingsmultinationals investeren in start-ups binnen de vleesvervangersindustrie en sluiten er partnerships mee. Voedingsreuzen als Nestlé en Unilever investeren fors in onderzoek naar vlees- en zuivelvervangers, omdat ze beseffen dat daar steeds meer vraag naar zal zijn. Nestlé, Europees marktleider en goed voor 1,5% van wat in onze winkelmand belandt, heeft een lijst van 36 verbintenissen opgesteld voor 2020, om het aandeel suiker, verzadigd vet en zout te verlagen en het aandeel groenten en gezonde ingrediënten te verhogen in hun aanbod, wat een enorme impact heeft op hun R&D.

Vandaag zijn ook kleinere Oost-Vlaamse vleesproducenten en -verwerkers ongetwijfeld achter de schermen bezig met die eiwittransitie, maar veel willen ze er nog niet over kwijt, bleek na een korte belronde. “Heel wat kmo’s in de vleessector beseffen dat ze de boot niet mogen missen, maar dat is niet evident als de middelen voor innovatie beperkt zijn, wat vaak het geval is bij kmo's. Grote bedrijven zijn sowieso de innovatievoorlopers, terwijl kmo’s innovatievolgers zijn”,”, zegt Nadia Lapage (Fevia). “Andere zetten in op korte keten, gezonder vlees zonder antibiotica en dierenwelzijn, zoals Breydel uit Gavere. In andere delen van de wereld zie je de vleesconsumptie dan weer fors toenemen, zoals in China. Vlees is daar een teken van vooruitgang. Net zoals bij ons in grootvaders tijd, met een rosbief als feestmaaltijd. Vegetarisme en veganisme zullen volgens mij altijd een niche blijven, maar ik meen wel dat het aantal flexitariërs zal toenemen. Ook in de melkverwerkende industrie zie je verschillende spelers die op dit moment groeien via niet-dierlijke melkproducten, zoals lactosevrije producten op basis van soja of rijstmelk, zowel voor de thuis- als Aziatische markt.”

Een relatief jonge speler die mee surft op die trend naar gezonde en evenwichtige voeding is Ingrizo uit De Pinte, een leverancier van grondstoffen, ingrediënten en additieven voor de levensmiddelen- en gezondheidsindustrie in de Benelux. Internationale gereputeerde producenten en kmo’s doen beroep op de ingrediëntenleverancier die 12 medewerkers telt en zo’n 300-tal klanten. Zaakvoerder Geert Feys: “We zijn steeds op zoek naar nieuwe ingrediënten om aan de vraag van de voedingsproducenten te beantwoorden. We willen daarbij via eigen onderzoek en in ons applicatielabo verder groeien via innovatieve oplossingen die beantwoorden aan de huidige trends van gezonde, evenwichtige en duurzame voeding. Als gevolg van de mondialisering proberen grote concerns en multinationals via centrale aankoopkantoren met grotere volumes betere condities te bedingen, waardoor zowel omzet en marge onder druk komen te staan. Daarom zetten wij resoluut in op innovatie, technische kennis en advies als extra toegevoegde waarde voor ons productportfolio naar onze klanten. De ontwikkeling van nieuwe ingrediënten en hun toepassingen moet ook leiden naar markten waar we op dit moment nog onvoldoende aanwezig zijn. Wij willen graag koploper worden in de markt van nieuwe, plantaardige alternatieve voedingswaren. En die kennis delen met klanten en partners.” Bij Ingrizo loopt momenteel een ontwikkelingsproject waarbij het dierlijke ingrediënten (vlees, melk, eieren) in voedingswaren wil vervangen door bestaande én nieuw te ontwikkelen plantaardige ingrediënten via ‘herformulatie’ van recepturen, met aandacht voor clean label, allergenen, suikerreductie, caloriereductie, vezelverrijking en voedingswaarde. Denk aan: plantaardige bacon, brownies of mayonaise (zonder eieren maar met bruine tuinbonen). Geert Feys: “Nestlé begrootte de Belgische markt van alle mogelijke vleesvervangers op 41 miljoen euro. Dat betekent 2,4 procent van de totale vleesmarkt. Toch springt de Zwitserse beursgenoteerde voedingsreus op de kar van de plantaardige hamburgers. Hun Incredible Burger, met als ingrediënten soja, tarwe, rode biet, wortelen en paprika, prijkt al op het menu van de Duitse restaurants van de hamburgerketen McDonald's. Ingrizo wil proactief die markt bewerken en nieuwe concepten voorstellen.”


VEGAN EN LEKKER

In de afgelopen jaren zijn er inderdaad grote stappen in de productontwikkeling gemaakt: vleesvervangers zijn gezonder en smakelijker geworden. Bovendien kunnen smaak en textuur van vlees steeds beter worden nagemaakt door technologische ontwikkelingen. Aan onze universiteiten wordt onderzoek gedaan naar alle type eiwitingrediënten.

Sommige ingrediënten worden al op grote schaal ingezet als eiwitingrediënt zoals peulvruchten (soja, erwten, veldbonen en lupine), bijproducten uit de zetmeelindustrie (zoals aardappel en tarwe) en in mindere mate zaden (hennep en quinoa). Daarnaast bieden nieuwe eiwitbronnen zoals insecten (meelwormen en sprinkhanen), waterplanten (zeewier en waterlinzen) en microbiële eiwitten (zoals algen) potentieel voor de toekomst. Al deze eiwitingrediënten worden ingezet om vleesvervangers te produceren. Je hebt de eerste generatie vleesvervangers (zoals tofu, tempeh en seitan), de tweede generatie vleesvervangers (samengestelde producten), derde generatie vleesvervangers (producten met een duidelijke vleesstructuur en -smaak), kweekvlees (clean meat, in-vitro vlees, cell-based meat) en hybride producten (combinatie van vlees met plantaardige grondstoffen).

Er liggen ook zeker kansen voor de Vlaamse landbouw. Die Vlaamse akkerbouw is echter intensief en saldo’s van nieuwe eiwitgewassen zijn vaak nog niet concurrerend ten opzichte van de huidige gewassen die worden geteeld. Afzetzekerheid is een voorwaarde voor het succes van nieuwe eiwitgewassen. Voor veel gewassen zijn regionale verwerkers aanwezig: soja in Vlaanderen, erwten in Wallonië, lupine in Nederland en Duitsland en veldbonen in Duitsland. Hier liggen mogelijkheden om samen met veredelaars, telers en verwerkers teeltprojecten op te starten zoals dat voor soja is gedaan. Wat betreft niet-grondgebonden productie (insecten, zeewier, waterlinzen, microbiële eiwitten) wordt er voorlopig nauwelijks op commerciële basis voor humane consumptie geproduceerd. Productie is nog duur en er zijn nog geen goed ontwikkelde afzetkanalen aanwezig voor humane voeding. Kort samengevat: de industrie in Vlaanderen rondom alternatieve eiwitten is zich aan het ontwikkelen, maar er is nog geen duidelijke waardeketen voor alle eiwitingrediënten. Er is ook nog te weinig investeringskapitaal bij kleine en middelgrote ondernemers.




BIO: STEEDS MEER PRIJZENDRUK Wie gezond en duurzaam denkt, zegt vaak bio. Jan Verbeke is zaakvoerder van Nature Favours uit Oudenaarde, een 100% organic importbedrijfje van biologische grondstoffen en halffabrikaten. “Onze missie is om kleinere ondernemingen toegang te verschaffen tot biologische ingrediënten. Start-ups die met bioproducten willen werken, hebben nauwelijks toegang tot biohalffabrikaten. De klassieke groothandels specialiseren zich daar niet in. Wij leveren halffabrikaten (sappen, purees, diepvriesfruit en fruitbereidingen) aan artisanale confituurproducenten, babyvoedingproducenten, bioboerderijen en drankenproducenten. Jan Verbeke ziet een enorme ontwikkeling in de drankenindustrie. “Onze sappen komen niet enkel terecht in groenten- en fruitsappen, maar ook in kombucha, bieren, limonades en hydrolades (sap op basis van water, lokaal fruit en groente en hydrolaten. Dat laatste is een ingrediënt dat wordt bekomen door bloemen en kruiden zoals munt te stomen, red.)

Babyvoeding is een van de grootste markten van Nature Favours. Het is ook de meest gecontroleerde. Verbeke: “De merkhouder heeft hier vaak de hele grondstoffenstroom in handen en wil absolute controle hebben waar het fruit vandaan komt. Bij babyvoeding wil men elk risico uitsluiten. We leveren babyvoedingsgrondstoffen aan grote spelers, maar evengoed aan start-ups. Zeker kleinere spelers komen bij ons aankloppen om aan een competitieve prijs grondstoffen te kopen die al babyvoedingsgeanalyseerd zijn. Soms zijn die analysevereisten bijna onhaalbaar, denk aan nitraatgevoelige producten zoals spinazie waarbij het nitraatgehalte vaak te hoog ligt.”

Deze importeur verkiest de korte keten indien mogelijk, maar sourct ook biologisch fruit, zoals mango of ananas, wereldwijd. Verbeke: “Eén regel is voor mij heilig: teel producten, zoals avocado, op plekken waar het ecosysteem het toelaat. Ik was twee weken geleden bij biotelers en -verwerkers in Peru. Ik zag daar jammer genoeg ook plantages midden in de woestijn, waarbij een tunnel vanaf de Andes gemaakt wordt om water te voorzien. Grote investeringsfondsen kopen er landbouwgronden op met waterrechten, omdat ze weten dat dit binnen tien jaar geld opbrengt. Hallucinant.”

Soms krijgt Nature Favours ook de vraag van lokale telers om oogstoverschotten te verwerken, maar meestal is dat niet rendabel. Binnen de biosector ondervindt Verbeke meer en meer prijzendruk. “De kleinere, lokale biowinkels komen onder druk te staan vanuit de retail, die de prijzen bepalen. Ook de kleine voedingsproducenten worstelen om hun plaats te vinden in de markt en moeten vaak hemel en aarde bewegen om een afspraak te versieren bij een retailaankoper. En dan moet je er nog uitspringen met je verhaal. Als start-up moet je noodgedwongen snel het vizier richten op de retail, want je moet een bepaald volume bereiken om rendabel te produceren. Ik wil geen eten geven aan al de oprichters van voedingsstart-ups die zichzelf geen loon uitbetalen omdat ze niet rendabel zijn.”




OVER CLEAN LABEL EN DE SUIKERDUIVEL

Eén van de andere, hete aardappels in de voedingsindustrie is de vraag naar clean label, voedingsetiketten zonder E-nummers. Bewerkt voedsel bevat soms heel wat additieven met een E-nummer, vooral om de houdbaarheid van het voedingsmiddel te verlengen, zowel microbieel als organoleptisch (= stabilisatie van textuur). Geert Feys is formeel: “De consument wantrouwt ten onrechte deze additieven met E-nummer. Additieven met E-nummer, gebruikt in de juiste dosering, zijn transparant en hebben een bewezen niet-schadelijk effect op de gezondheid. Maar de perceptie en argwaan nemen hier de overhand en daarom wil de consument ingrediëntendeclaraties zien op voedingsproducten: zonder of minder E-nummers (clean label), en met begrijpbare leesbare ingrediënten die ze ook in hun keukenkastje staan hebben (‘cup board ingredients’). Daarom zet Ingrizo in op innovatie, ontwikkeling en gebruik van diverse alternatieve ingrediënten van natuurlijke, duurzame oorsprong, die succesvol additieven met E-nummers kunnen vervangen, of het aantal E-nummers kan reduceren.” Ook Nadia Lapage van Fevia Vlaanderen heeft haar bedenkingen: “Als frisdrankproducenten naar clean label willen gaan, zullen ze bepaalde zoetstoffen moeten schrappen ten voordele van suiker, terwijl ook suikerreductie hoog op de agenda staat bij veel voedingsbedrijven, gestuurd vanuit de consument. Sommige trends in gezondheid spreken elkaar dus tegen.” Volgens haar begrijpt de buitenwereld vaak niet hoe moeilijk het is om 10% suiker uit een product te halen, want suiker geeft textuur aan een product of verlengt de bewaartijd. “Het vergt veel innovatie om een gelijkaardig product met 10% minder suiker én dezelfde smaak op de markt te brengen. Vervang je bij ketchup suiker door stevia als zoetstof, dan heb je rood water. Wat er niet goed uitziet en/of niet lekker is, zal niemand kopen. Dat blijft dé randvoorwaarde bij elke innovatie: het moet lekker zijn.”

De Engelsen hebben er een mooi woord voor: indulgence. Vrij vertaald: we willen intens genieten van voeding. Dat is ook de stellige overtuiging van Luc Aelterman, CEO van Confidas, de Drongense producent van pâtes de fruits, een op fruit gebaseerde snoep die we vooral kennen uit bomma’s tijd. Confidas geeft dit een product een nieuw, hipper imago en trekt ook deels de gezondheidskaart op zijn website, niet helemaal onterecht. Aelterman: “Een van de redenen waarom ik dit bedrijf drie jaar geleden overnam van de oprichter, is omdat ik de intrinsieke kwaliteiten van het product wou herwaarderen. Eigenlijk is het een heel oude manier om fruit te bewaren tijdens de winter. Ons product sluit aan bij een aantal huidige voedingstrends: er zit minimum 50% fruit in, we werken enkel met zes natuurlijke ingrediënten en zonder kunstmatige smaak- of kleurstoffen. Onze snoepjes zijn ook 100% vegan. Ze bevatten dus geen gelatine maar pectine. Ons label bevat ook geen E-nummers, maar dat spelen we niet uit als een troef omdat wij vinden dat dit een valse troef is.”

Confidas verkoopt zijn pâtes de fruits aan chocolatiers, aan groothandels die aan bakkerijen leveren, aan de retail en sinds kort ook aan sportvoedingsmerken via private label. “Ons product is een natuurlijke bron van snelle suikers. We voelen dat dit een groeimarkt is.” Aelterman weet als geen ander dat suiker nu in het oog van de voedingsstorm zit. “Ik spreek liever over gezonde en ongezonde voedingspatronen dan over gezonde of ongezonde producten. In ons product zit inderdaad veel suiker, al komt dat grotendeels van het fruit dat erin zit. Als je elke dag anderhalve kilo pâtes de fruits eet, heb je een probleem, maar ons product leent zich om te degusteren, in tegenstelling tot een gelatinegebaseerde snoep. Het smelt in de mond en je hebt veel sneller een verzadigd gevoel. We steken ook niet weg dat er veel suiker in ons product zit. In andere producten zit er ook veel suiker, maar weet je het niet. Los daarvan vind ik het goed om de suikerinhoud in veel producten te verminderen, maar de huidige heksenjacht op suiker is buiten proportie.”



“Ik vind het goed om de suikerinhoud in veel producten te verminderen, maar de huidige heksenjacht op suiker is buiten proportie”

Luc Aelterman, Confidas



GLUREN BIJ DE BUREN

Om slim en ‘gezond’ te innoveren is co-creatie via multidisciplinaire teams tussen R&D, productie, kwaliteit, logistiek en verkoop binnen de bedrijfsmuren een evidentie, maar volgens Nadia Lapage van Fevia Vlaanderen moeten bedrijven, zeker kmo’s, nog veel meer over het eigen bedrijfsmuurtje kijken. “’Gluren bij de buren’ is de naam van een project van Flanders’ Food, ons innovatieplatform dat kmo’s wil stimuleren om ‘open’ te innoveren. Kmo-bedrijfsleiders zijn manusjes-van-alles die de productie leiden, de kwaliteit bewaken,… Wij willen hen extra ondersteunen via projecthulp, of door best practices aan te leveren uit het buitenland. Onze voedingskmo’s kunnen zeker nog meer samenwerken met kennisinstellingen of andere bedrijven. Een prachtig Oost-Vlaams voorbeeld van zo’n innovatieve joint venture is de samenwerking tussen ecologische viskwekerij Aqua4C en tomatenkwekerij Tomato Masters.”

Luc Aelterman (Confidas) doet naar eigen zeggen vooral aan innovatie met kleine i, maar hij doet het wel, samen met klanten, leveranciers, kennisinstellingen én andere kmo’s. “Zo proberen we nu functionele ingrediënten, zoals mineralen of palatinose (levert langer energie, sdk) toe te voegen, op vraag van een klant. Op marketingvlak hebben we al samengewerkt met de UGent. In de toekomst wil ik ook graag projecten opzetten met bio-ingenieurs of het ILVO. Met een andere voedingsproducent broeden we nu ook op het idee om samen een nieuw product op de markt te brengen.”

Elke voedingsspeler wil ook de vinger aan de pols houden bij de eindconsument, via bijvoorbeeld consumentenonderzoek. Al is dat verre van evident, volgens Verbeke (Nature Favours): “Een start-up ontwikkelt vaak een nieuw product vanuit die consument en toetst dat af bij zijn lokale gemeenschap. Denk aan een moeder die gezonde tussendoortjes ontwikkelt, vanuit de eigen zoektocht naar dat soort koekjes. Maar als groeiende kmo verlies je vaak die voeling met die eindconsument en marktonderzoeken zijn duur.”

Ook Aelterman (Confidas) weet dat consumentenonderzoek heel duur is, zeker voor een kmo. “Je kan gelukkig ook veel info krijgen door te luisteren bij klanten, familie, vrienden,..”


Kleine voedingsproducenten moeten vaak hemel en aarde bewegen om een afspraak te versieren bij een retailaankoper”

Jan Verbeke, Nature Favours



CUSTOM MADE FOOD Tot slot, hoe ziet de voedingsfabriek van de toekomst eruit? Volgens Geert Feys (Ingrizo) is die zeer wendbaar en wordt die mede gestuurd door e-commerceorders, direct vanuit de eindconsument. Feys: “Supermarktketens hebben hoge vaste kosten en voeren vandaag een keiharde concurrentiestrijd, maar zouden die in de nabije toekomst weleens kunnen verliezen als de consument meteen online bestelt bij de producent of bij een beperkt aantal digitale platforms, zoals Amazon of Alibaba reeds succesvol doen. Ik ben er zeker van dat de stem van de digitale eindconsument sowieso belangrijker wordt. Complete maaltijdboxen worden steeds meer online besteld en thuis geleverd. De klant krijgt alle verse ingrediënten, hij moet enkel nog snel klaarmaken.”

Jan Verbeke van Nature Favours meent dat de voedingsfabriek er eerder klinisch zal uitzien, vol met procedures van wat mag en niet mag. “Misschien lopen de werknemers in een soort ruimtepak om elk risico op contaminatie te vermijden”, lacht hij. “De schrik voor een recall is zo groot vandaag, zeker als producent. Nieuws is zo snel beschikbaar via social media, soms worden er ook pertinente onwaarheden verteld, maar de schade is dan al geleden.”

Alle gesprekspartners voorspellen ook dat voedingsspelers steeds meer rekening zullen moeten houden met persoonlijke behoeftes en voorkeuren van groepen consumenten, zoals eiwitrijke voeding voor sporters en opgroeiende kinderen, speciale voeding voor ouderen met spier- en krachtverlies, zachte voeding voor parkinsonpatiënten met slikproblemen, suikergereduceerde voeding voor diabetici, enzovoort. Dankzij de digitalisering en efficiënte webshops zullen consumenten zich ook sneller en wereldwijd bevoorraden met specifieke voedingsmiddelen.

Nadia Lapage (Fevia): “Onze innovatiecluster Flanders' Food richtte samen met andere partners het open onderzoeks- en innovatiecentrum NuHCaS (Nutrition Health Care System)

op dat zich specifiek zal toeleggen op de relatie tussen gezondheid, voeding en zorg.. Ook bereide maaltijdproducenten zullen in dat innovatieverhaal een steeds grotere rol krijgen, met uitgebalanceerde maaltijden voor patiënten die zoutarm of lactosevrij moeten eten. Echt voeding op maat van de individuele consument lijkt me op fabrieksniveau onmogelijk, maar op niveau van de verpakkingen zijn er nu al veel mogelijkheden via digitalisering. En wie weet printen we binnen honderd jaar allemaal onze eigen maaltijden via onze 3D-printer, op basis van ingrediënten in poeder- of vloeibare vorm. Daar gebeurt nu al heel concreet onderzoek naar, zoals voor chocolade.”

Bijgewerkt: apr 7

Stedenconsulent Charles Landry noemt Gent een pocket sized metropolis, die de intimiteit van een kleine stad combineert met de openheid van een metropool. Het is ook een kweekvijver voor honderden, vaak digitale start-ups die groeien en soms bloeien tot scale-ups. Wat zit er in dat Gentse water? Een roadtrip, per e-step, langs plekken waar veel start-ups en ook enkele scale-ups samenhokken.


tekst Sam De Kegel – foto Wouter Van Vaerenbergh


Wie vanuit de lift het kantoor van de digitale product studio In The Pocket in hartje Dok Noord binnenwandelt, wordt instant goedgehumeurd. Veel glas en zonlicht, een schitterend uitzicht op de Gentse binnenstad, twee pingpongtafels ter verstrooiing en een vergaderruimte die lijkt op een minitheater. Hier wordt gewerkt aan de technologieën van de toekomst. Zoals augmented reality (AR), waarbij je een digitale laag ‘legt’ over de echte wereld. Eerder dit jaar ontwikkelde In The Pocket een AR-app voor het Belgische pyama-merk Woody, waarbij de diertjes op de pyjama’s in 3D tot leven komen.






“De sector van mobiliteit gaat de komende tien jaar meer veranderen dan de afgelopen honderd jaar.”


DE NETLOG MAFFIA


CEO is Jeroen Lemaire, filosoof van opleiding en een van de founding fathers van de Gentse tech start-upscene. Jeroen organiseerde beurzen over gaming & tech in o.a. Flanders Expo en maakte van nabij de rise en fall van Netlog mee eind jaren 90. Deze sociaalnetwerksite van Lorenz Bogaert en Toon Coppens had op zijn hoogtepunt meer dan 100 miljoen gebruikers en een kleine 80 werknemers, maar moest uiteindelijk de duimen leggen tegen Facebook. Bogaert en Coppens begonnen een reeks nieuwe bedrijven - de datingsite Twoo, het immoplatform Realo en de cryptoportefeuille Delta. Lemaire: “Ik begon samen met Pieterjan Bouten en Louis Jonckheere de digital product studio In The Pocket. Die laatste twee kwamen uit het Netlog-huis. Binnen In The Pocket ontstond Showpad, een digitaal platform voor verkopers en marketeers, dat in 2013 afgesplitst werd en nu heel succesvol door Pieterjan en Louis geleid wordt. (lacht) Men spreekt weleens over de Netlog Maffia, naar de Amerikaanse PayPal Mafia. Heel wat mensen die ooit voor die betaaldienst aan de slag waren, startten later bedrijven op als de elektrische autobouwer Tesla of het sociale netwerk LinkedIn.”



Netlog zond dus, zonder het te willen, rond 2010 zijn zonen en dochters uit en creëerde en diaspora van Gents digitaal ondernemershap, maar het Netlog-effect is maar één van de redenen waarom Gent het schopte tot dé start-up city van Vlaanderen met het grootste aantal digitale starters per hoofd van de bevolking. Lemaire: “Gent bundelt sterke troeven, zoals een topuniversiteit en goede hogescholen, een bereikbaarheid die, voorlopig, nog beter meevalt dan die van Antwerpen en Brussel en een hoge leefbaarheid, waardoor jonge professionelen gemakkelijk blijven ‘plakken’ na hun studies. Met andere woorden, we profiteren van de braindrain van West-Vlaanderen”, zegt hij fijntjes.


“Start-up's zijn er genoeg in de Arteveldestad, maar slechts zelden groeien ze uit tot echt grote jongens.”

DEEL EENS EEN ELEKTRISCHE WAGEN


Van In the Pocket laveren we met onze e-step, naar BattMobiel, in het hart van de volkswijk Muide. #Once You Go Electric, You Never Want Back, zeggen Chris de Guytenaer, Peter Vandenberghe, Sarah Facq, Jan Ghys en Christophe Peeters in koor. Samen vormen ze sinds anderhalf jaar BattMobiel, een start-up die elektrische deelwagens aanbiedt in Gent. Het verhaal startte bij Chris de Guytenaer, die met zijn gezin van Oostakker naar het centrum van Gent verhuisde en al gauw beide wagens van de hand deed om met autodelen te starten. Omdat hij bij de klassieke autodeelorganisaties een aantal zaken mistte, begon hij zelf een bedrijfje. “Ik wou voor elke vervoersbehoefte en elk moment het best mogelijke elektrische voertuig gebruiken, van een bakfiets over een speed bike tot een Tesla.” Ondertussen is BattMobiel al wat gerodeerd, met 300 gebruikers en 50 voertuigen in de fleet. Deze start-up ziet het groot: eerst Gent veroveren, nadien de andere Belgische centrumsteden en dan, hopelijk, het buitenland. Het mikt zowel op particulieren, bedrijven als overheden. Peter Vandenberghe: “We willen een nieuwe hype creëren. Heel de sector van mobiliteit gaat de komende tien jaar meer veranderen dan de afgelopen honderd jaar.” BattMobiel spreekt graag over shared ownership. Sarah Facq: “We willen van onze deelwagen echt ‘hun’ wagen maken als ze er mee rijden. Voor elke wagen hebben we zo’n vijf klanten die mekaar kennen. Convenience, kostprijs en comfort primeren. Wist je dat privéwagens 90% van de tijd stilstaan?” Momenteel lanceert de start-up in Gent een groepsaankoop van 100 elektrische wagens om elektrische en gedeelde mobiliteit sterker te maken en het gaat zelfs samenwerken met zeven lokale concessiehouders. “Het loopt storm. Onze missie is zoveel mogelijk wagenreductie én maximalisatie van autogebruik.”

BattMobiel gedijt goed in ondernemend Gent, maar er zijn ook minpunten, zoals het gebrek aan… laadpalen. Christophe Peeters: “Nederland heeft 33.000 laadpalen, Vlaanderen heeft de ambitie om er tegen eind 2020 3.000 operationeel te hebben. Belachelijk weinig.” Ook het Gentse stadsbestuur trappelt wat ter plaatse. Sarah: “De start-ups floreren in Gent, mede dankzij de vele incubators en initiatieven als de Startersfabriek (in augustus 2019 werd echter na twee jaar de stekker getrokken uit dit initiatief van de Stad Gent, sdk), maar eenmaal je groeit en op zoek gaat naar een grotere locatie, extra kapitaal of in ons geval, extra laadpalen, heb je geen centraal aanspreekpunt meer in deze stad.”



WATT FACTORY, EEN SLIMME HUB


We bezoeken nog één hub voor starters, de Watt Factory, ooit een textielfabriek, nu een bedrijvencentrum met zowel privékantoren als co-workingplekken. De sfeer is die van een huiskamer: gezellig, veel kamerplanten en heel veel plekken om samen of alleen te werken, te vergaderen of presentaties te geven. Dit initiatief van projectontwikkelaar Revive, samen met nog vier andere investeerders, ging in 2017 van start als een ‘incubator-accelerator’ die beloftevolle start-ups in een groeiversnelling wil brengen. WATT Factory focust bijna uitsluitend op start-ups die actief zijn binnen de domeinen smart buildings, smart mobility en smart energy. “We streven ernaar een ecosysteem uit te bouwen met een verticale focus op deze drie domeinen. Zo willen we ook het verschil maken met andere acceleratoren”, zeggen Silke Van Gheluwe, Nele Meulemans en Christine Hutsebaut in koor. Deze drie jongedames runnen deze hub met veel goesting. “Er heerst hier een informele, niet te cleane sfeer. Onze start-ups moeten zich hier ook echt thuis voelen.” De selectievoorwaarden zijn wel streng. Silke: “Elk jaar organiseren we een call en selectie voor een acceleratorprogramma. Start-ups die al een proof of concept hebben en/of net op de markt actief zijn, bieden zich aan om deel te nemen, wij selecteren daaruit 18 start-ups die mogen pitchen voor een professionele jury. Ten slotte selecteren we daaruit een tiental start-ups uit die een zes maanden durend acceleratieprogramma volgen. De start-ups krijgen slim advies van Vlerick-professoren via workshops en van mentoren die de start-ups individueel en collectief begeleiden.” Eén van die beloftevolle start-ups binnen het huidig acceleratorprogramma is Sennen Tech, een Brits bedrijfje dat een technologieplatform ontwikkelde voor de veilige en efficiënte exploitatie en het vermogensbeheer van duurzame energieprojecten. Zo ondersteunt het momenteel de controlekamer van London Array, het op één na grootste offshore windpark ter wereld. Hun software wordt ingezet op meer dan 50 wind- en zonnesites. CEO Paul startte zijn bedrijfje in Engeland, trouwde met een Belgische en belandde via enkele omwegen in de Watt Factory. “België heeft grote offshore windparken in de Noordzee en wij hebben de technologie”, lacht hij. Voorlopig zit enkel Paul hier – vijf collega’s werken in het VK – maar binnenkort wil hij ook hier talent, zoals sales ingenieurs, aanwerven. “De talentenvijver is hier groot, met dank aan o.a Universiteit Gent. Door de Brexit is het ook goed dat we in de EU a foothold hebben. En ik hou enorm van de vibe in deze stad en hub. Toen ik hier voor het eerst kwam, wist ik meteen: hier wil ik verder groeien.”

Wie te groot wordt, verlaat de Watt Factory om elders verder te groeien. Silke: “Er is hier vaak een interne shuffle. Binnenkort zal Too Good To Go (het bedrijf achter de app die voedselverspilling tegengaat, sdk) hier vertrekken omdat ze uit hun voegen barsten.”


WINTERCIRCUS: THE NEXT PLACE TO BE?


We sluiten onze trip af aan de Krook, waar in 2022 het gerenoveerde Wintercircus rond een centraal en overdekt binnenplein kantoorruimte moet bieden aan start- en scale-ups. Dit gebouw, ooit een bekende garage (Mahy) en daarvoor een wintercircus, was lange tijd verwaarloosd tot het stadsontwikkelingsbedrijf Gent (sogent) het in 2005 in opdracht van de Stad Gent kocht met het oog op renovatie. Terwijl de werken gestaag vorderen, wordt er tussen de verschillende belanghebbenden gediscussieerd over wie er onderdak krijgt. Zo wil Voka Oost-Vlaanderen, de werkgeversorganisatie die zelf ook start-ups ondersteunt via zijn lerend netwerk Bryo, er vooral scale-ups zien met internationale uitstraling. Want start-ups zijn er genoeg in de Arteveldestad, maar slechts zelden groeien ze uit tot echt grote jongens.

Jeroen Lemaire (In The Pocket) besluit: “Als Stad Gent de technologische hoofdstad van Europa wil worden, zoals het in het bestuursakkoord staat, moet er nog veel gebeuren. De Gentse technologische sector zal ettelijke keren moeten vermenigvuldigen in omvang. Zonder enkele ‘unicorns’ (de term voor een startup die gewaardeerd wordt op minimaal 1 miljard dollar, sdk) komen we niet in de buurt van de huidige kampioenen zoals Berlijn, Stockholm, Parijs, London en Amsterdam. Ter vergelijking: in Berlijn wordt om de 20 minuten een start-up opgericht, Londense start-ups trokken meer dan 2 miljard euro aan risicokapitaal aan in 2018. Daar is Gent nog niet. We zullen ook een globale aantrekkingskracht moeten ontwikkelen voor digitaal talent. Internationale venture capitalists (VC's) zullen de weg naar het Gentse ecosysteem moeten vinden. Het stadsbestuur kan dit stimuleren door events te ondersteunen met internationale uitstraling en door een samenwerking tussen universiteiten, hogescholen en technologische bedrijven te faciliteren. Ten slotte kan ze zichzelf ook een voorbeeldfunctie aanmeten als digitale stad door zelf nog meer te digitaliseren.”

Overdag langlaufen bij -30°C, 's avonds in de sauna bij 80°C